|
|
Rolstoelbasketbal : Het spelRolstoelbasketbal is gebaseerd op
running basketbal. Het is echter geëvolueerd naar een zelfstandige sport. Een
overzicht van gelijkenissen en verschillen: Doel
van het spel: Het spel wordt gespeeld met twee
teams. Elk team bestaat uit maximum twaalf spelers, waarvan er vijf op het veld
aan de wedstrijd deelnemen. De anderen zijn wisselspelers en bevinden zich ‘op
de bank’, samen met de coach, en eventueel de assistent-coach. Het doel van
elke ploeg is de bal in de basket van de tegenpartij te werpen en de
tegenstrever te verhinderen de bal te bemachtigen of een doelpunt te maken. De
winnaar van een wedstrijd is die ploeg die na het verstrijken van de speeltijd
het grootste aantal punten gescoord heeft. Het
speelveld: Het speelveld is een rechthoekig
veld, gemiddeld 28 meter op 15 meter. Het veld is ingedeeld in twee
helften. In het midden van het veld
bevindt zich de ingooicirkel. Aan beide eindlijnen bevindt zich een korf op 3,05
meter hoogte. Rond de korf is op de vloer een beperkte zone aangeduid.
Evenwijdig met de eindlijn bevindt zich de vrijworplijn op 5.8 meter. Aan
elke eindlijn bevindt zich ook de driepuntlijn, een halve cirkel met een straal
van 6.25 meter. Er wordt een reglementaire
basketbal gebruikt. De bal mag in iedere richting worden gepasseerd, geworpen,
getikt, gerold of gedribbeld, met inachtneming van een aantal beperkingen. Aan de rand van het veld, ter
hoogte van de middellijn, staat een wedstrijdtafel. Daaraan nemen minstens drie
mensen plaats: de scorer, die het verloop van de wedstrijd noteert op het
scoreblad, de bediener van de wedstrijdklok, die de resterende tijd van een
wedstrijd aangeeft, en de bediener van de stopwatch, die de resterende tijd van
een aanval aangeeft. De
wedstrijd: De wedstrijd wordt geleid door
twee of drie scheidsrechters. Een wedstrijd duurt vier maal
tien minuten, met een pauze van 2 minuten tussen de eerste en de tweede periode,
en tussen de derde en de vierde periode, en met een pauze van 10 of 15 minuten
tussen de tweede en de derde periode. Elke periode begint met een
tap-off: Van elk team staat één speler in de middencirkel. De scheidsrechter
gooit de bal omhoog. De tijd loopt van zodra één van de spelers de bal heeft
aangeraakt. Tijdens de rest van de wedstrijd wordt de bal ingegooid door een
speler, van achter de eindlijn. Wanneer de speler de bal van de scheidsrechter
ontvangt, heeft hij slechts vijf seconden de tijd om de bal in te gooien. De
chrono start, wanneer een medespeler de bal aanraakt. Dat is het begin van de
aanval. Een aanval mag maximum 24 seconden duren. Lukt dit niet, dan lijdt een
team balverlies. Het aanvallende team heeft maximum 8 seconden de tijd om de bal
over de eigen speelhelft te brengen. Een aanvaller mag zich maximum drie
seconden binnen de beperkte zone bevinden. Contacten tussen spelers, die een
functioneel nadeel voor de tegenstrever tot gevolg hebben, zijn niet toegelaten.
Afhankelijk van de aard van de inbreuk, lijdt het team balverlies, of wordt een
persoonlijke fout aangerekend aan de speler. Een speler die voor het eind van de
wedstrijd een vijfde persoonlijke
fout toegewezen krijgt, mag niet meer verder deelnemen aan die wedstrijd.
Tijdens de eerste drie periodes heeft elk team recht op time-out (1 minuut
onderbreking, voor een tactische bespreking). In de laatste periode heeft elk
team recht op twee time-outs. Telkens de bal het veld verlaat,
en telkens wanneer de scheidsrechter fluit, worden de klok en de chrono
stilgelegd. Wanneer een team balverlies lijdt, wordt de chrono opnieuw
ingesteld, en krijgt de tegenstrever opnieuw 24 seconden de tijd om een aanval
te doen. Een doelpunt geeft recht op 1
punt, wanneer het een vrijworp betreft; 2 punten wanneer gescoord wordt van
binnen de driepuntlijn; 3 punten wanneer gescoord wordt van buiten de
driepuntlijn. Vrijworpen worden toegekend na bepaalde fouten, gemaakt door de
tegenstrever. Dribble
en loopfout: Een speler in balbezit kan zich
met de bal over het terrein voortbewegen met inachtneming van volgende
beperking: De speler legt de bal op de schoot en duwt maximaal twee keer op de
hoepels. Nadien wordt de bal minstens één keer gebounced, of er wordt gepasst
of naar doel geworpen. Indien de speler de bal bouncet, dan mag hij nadien de
bal weer in de schoot leggen en opnieuw maximaal twee keer aan de hoepels duwen,
opnieuw bouncen enzovoort. De
rolstoel: Rolstoelen waarmee basketbal
gespeeld wordt, zijn onderworpen aan een aantal beperkingen. De belangrijkste
hiervan zijn : Het hoogste punt van de zitting mag de 53 centimeter niet
overschrijden. De doorsnee van de wielen mag de 27 inch niet overschrijden. De
voetenplank moet zich op 11 centimeter van de grond bevinden. Er mogen geen
remmen of andere uitstekende delen aanwezig zijn, die een speler kunnen
verwonden. Het kussen mag maximum 10 centimeter dik zijn voor spelers met
classificatie tussen 1,0 en 3,0; en maximum 5 centimeter voor spelers met
classificatie tussen 3,5 en 4,5. Classificatie:
Naargelang de aard van de
handicap krijgt elke speler een individueel classificatiecijfer. De speler met
de hoogste functionele mogelijkheden krijgt het cijfer 4,5, die met de meeste
functionele beperkingen het cijfer 1,0. De som van de classificatiecijfers van
de vijf spelers op het veld mag een bepaald maximum niet overschrijden, zoals
hierboven vermeld. Dit betekent, dat een ploeg slechts kan deelnemen aan een
officiële competitie, wanneer die beschikt over een team van spelers met
diverse handicaps in diverse gradaties. Niet alleen ons team, maar bijna elk
team in Vlaanderen heeft nood aan ‘laagpunters’. Het gaat hier hoofdzakelijk
over spelers met een dwarslaesie of ruggenmergletsel tussen T2 en T12. Heel wat
mensen met dergelijk letsel denken dat zij een te zware handicap hebben om
rolstoelbasketbal te spelen. Het is natuurlijk zo dat ‘hoogpunters’ het
meest opvallen tijdens een wedstrijd. Hun spel is soms bijzonder spectaculair.
Maar zij kunnen dit niet verwezenlijken zonder de broodnodige teamleden met
beperkter functionele mogelijkheden. In de Vlaamse en Belgische
competitie wordt ook rekening gehouden met dames, jongeren en beginners. Een
team dat een vrouwelijke of een minderjarige speler opstelt, krijgt een
bonificatie van 1,5 punt voor elk van die spelers; voor een beginner wordt een
bijkomende bonificatie gegeven van 1,0 punt voor een eerstejaars, en van 0,5
punt voor een tweedejaars. Op die wijze kan iedereen stap voor stap
wedstrijdervaring opdoen. Voor meer informatie kan u steeds
terecht bij: Wouter Terryn |